Woordenboek

shook

"bijvoeglijk naamwoord geschrokken 2. in een verbaasde gemoedstoestand, bijv. Als je me stack ziet, ga je shook zijn. Stack gaat banana’s. / Wat doe je als een…"

shook

ch’oek

bijvoeglijk naamwoord

  1. geschrokken 2. in een verbaasde gemoedstoestand, bijv. Als je me stack ziet, ga je shook zijn. Stack gaat banana’s. / Wat doe je als een flikker, gap. Praat flink tegen die peki... ben je shook ofzo. / Ik kon niet echt reageren, want ik was helemaal shook at first.
Wat zeg je me?