koren
ko’rn
werkwoord
roken, bijv. Hoe verwachten zij dat wij geen loud koren in de stu? Het is essentieel. / Op het moment dat we onze een-na-laatste jonko koren moet iemand nieuwe loud buyen. / Heledag koren kan nooit goed zijn, geloof me. Dat is niet de bedoeling van dat spul. / Koor in je osso zo van ‘mag dat’?