kannen
kan’ne
werkwoord
- nakken 2 . iets stelen van iemand 3 . iemand verslaan in een strijd, bijv. Als Feyenoord elke topploeg weet te kannen zijn zij kampioen. / Ik moest wel kannen, want ik had geen od om te chappen. / Mannen kannen de swag en claimen het alsof zij de originators zijn, b. Hoe! / Jij kant mij? Kill, weet dat ik je ook kan!