God/god
1. degene die volgens velen alle
zelfstandig naamwoord
macht heeft, en onze schepper is 2 . een goddelijke kracht die in ons, en al het andere natuurlijke zit, bijv. Stap naar een G.O.D, en je bek bost. / Alleen maar jonge goden in de bims. / Only God kan judge, nek je die. / Iedereen is een God in essentie geloof ik, alleen best niet een ieder dit.