gang
g’eng
zelfstandig naamwoord
- een groep mensen die gezamenlijk door het leven gaat 2 . van oorsprong een collectief, ontstaan uit een onderdrukte groep mensen die grip probeert te krijgen op de community door een groepje te vormen dat waakt over de normen en waarden, bijv. Ik ben met de gang dus je weet hoe we rocken. / Hij is geen gang, maar hij doet alsof. / Je staat op de gang, en denkt aan je gang!