chibas
chi’bas
zelfstandig naamwoord
- een informant, die met de politie praat 2. een afkorting van het Spaanse woord chivato, verrader, bijv. En die chibas die laten we achter, mijn mannen zijn op die tempo. / Fuck die chibas. / In jou team zitten chibas, broer. Je hebt het niet door.