Woordenboek

bossen

"werkwoord kapotmaken, letterlijk en/of figuurlijk 2. op agressieve wijze gebruiken 3. iemand in elkaar slaan, bijv. We zijn in de club en we bossen batras. / I…"

bossen

b’oss’e

werkwoord

  1. kapotmaken, letterlijk en/of figuurlijk 2. op agressieve wijze gebruiken 3. iemand in elkaar slaan, bijv. We zijn in de club en we bossen batras. / Ik ga hem sowieso bossen als-ie veel gaat praten. / Ik boss die ams der poenie open en wiep het tot ’t rood is.
Wat zeg je me?