Woordenboek

boos

"bijvoeglijk naamwoord gebruikelijk 2. een staat van opwinding, bijv. Hij kwam boos op die tune, man / no, man. Hij is boos. Hij maakt echt geen grappen. / Barca…"

boos

1. alles wat meer is dan

bijvoeglijk naamwoord

gebruikelijk 2. een staat van opwinding, bijv. Hij kwam boos op die tune, man / no, man. Hij is boos. Hij maakt echt geen grappen. / Barca met Villa in de spits was boos! Toen Guardiola nog trinna was. Kan je nog herinneren?

Wat zeg je me?