blowen
bl’oow’e
werkwoord
- (hasj of wiet) roken 2. exploderen in figuurlijke zin, bijv. Kom we gaan blowen, man. / Te veel blowen is nooit goed. / Ik heb ’t al gezien. Hoe langer het duurt tot je blowt, hoe harder je blowt. / smib gaat kankerhard blowen at some point.