bands
ben’dz
zelfstandig naamwoord
- geld
- ruilmiddel
- bankbiljetten, bijv. Ik heb geen bands, man. / Ik wil die bands en ik wil het lens. / Ik shake geen hands, wil bands, geen friends. / Vroeger hadden we het krap, terwijl wij nu bands maken en ik praat niet over een wielen, maar we draaien op volle toeren. / Geen merrie maar ik wil die bands in me pants.