Woordenboek

antruwa

"zelfstandig naamwoord traditioneel Surinaams 1 . groentegerecht plantsoort 2 . die qua vorm veel weg heeft van een tomaat, afkomstig uit Oost-Afrika, maar groei…"

antruwa

antr’oe’wa

zelfstandig naamwoord

traditioneel Surinaams 1 . groentegerecht plantsoort 2 . die qua vorm veel weg heeft van een tomaat, afkomstig uit Oost-Afrika, maar groeit ook in Zuid-Amerika, bijv. Ma, wat heeft u gekookt? Antruwa, ruik je toch?! / Ben op me groen net antruwa / Mijn moeder maakt heel vaak of antruwa, of sopropo, want dat vindt zij lekker.

Wat zeg je me?