angri
ang’rieh
bijvoeglijk naamwoord
honger, oorspronkelijk uit het Surinaams, bijv. Ik ga die assie nog niet koren anders krijg ik raar angri. Laat me eerst even eten. / Heledag heb ik
al angri maar die shit zit ook tussen je oren, dus ik ga gewoon door. / Ik haalde niet tijdens ramadan. Ik had te veel angri.